De man liep in zijn weergaloze glitterpak door de bosjes, zijn adem reutelde, hij wilde doden, hij wilde bier.

De lichten van de stad waren voor hem als een honingzoete lokroep, ze waren een belofte van geschreeuw in steegjes en dronkemansgevechten om drie uur ‘s nachts. Ja, dat wilde hij, klamme bakstenen muren waar hij tegenaan kon leunen om te zeiken, mossige stoeptegels waar hij schedels op kon breken, clubs waar iedereen stijf stond van de drugs, shabby cafés waar hij zijn vroege ochtendbiertjes kon drinken tot de eerste vogels floten.

De man zijn naam was Tjaad McBuffel. Graag schreeuwde hij zijn naam om drie uur ‘s nachts in rustige woonstraten waar veel kinderen sliepen, als hij weer eens op een heroïnenaald was gaan zitten, of te grazen genomen door een zwerver in het park. Zijn naam was voor hem belangrijker dan een dak, maar minder belangrijk dan bier en geweld.

Zijn glitterpak glitterde, hij sloeg de laatste berenklauwen en reuzenbrandnetels opzij en zag het daar; De Stad. Instinctief spitsten de lokale studenten hun oren, keken schichtig om zich heen. De angst voor Tjaad was diepgeworteld en wijs, zeer wijs. Tjaad tegenkomen betekende meestal drie stenen in je gezicht, infecties, een strafblad en het avontuur van je leven – als je het overleefde. Zijn naam was inmiddels een legende, men fluisterde over hem als een duistere heerser en messias tegelijk – hij was gezegend in zijn naam, zijn koninkrijk zou komen, etcetera. Sommige mensen dachten dat hij een type hamburger was, of een geheime code om de club mee binnen te komen. Dat deerde niet. Men kende hem. Men vreesde hem. Tjaad McBuffel was een begrip.

‘Tjaad’ vertelde de reünist tegen enkele eerstejaars, genietend van een koud gerstenat, ‘kwam uit het niets die avond, we waren met zijn vieren in de Bolle, een rij was er niet. We hoorden ruzie bij de ingang en zagen Kees door de lucht vliegen.’

‘De uitsmijter? Door de lucht vliegen?’

De gehavende oud-student knikte ernstig, nam een slok, keek die stomme naïevelingen één voor één aan.

‘Toen kwam hij binnen. Alles zat binnen drie minuten onder het bloed. Ik herinner me alleen nog maar vuistslagen, felgekleurde glitters, massapaniek, en dat figuur hangend onder de tap, drinkend wat hij drinken kon.’

‘Wat? Hoe kwam hij langs Henk?’

‘Jaha’ zei de reünist. ‘Tjaad McBuffel versus Henk Greefkelder, dat is een verloren zaak. Weet je wat het is? Iemand die sterk is, is gevaarlijk. Maar iemand met een passie voor geweld, voor wie vechten het enige levensdoel is…’

Hij nam zijn laatste slok bier, dacht melancholisch terug aan die heroïsche avond uit die verre mooie tijd, herinnerde zich de ongekende, fenomenale weergaloosheid van dat glitterpak, prevelde een gebed tot Tjaad. Zo ging dat in die stad.

Taxi’s scheerden langs de man in het glitterpak, die hysterisch lachend over de drukke weg rende, met drie peuken in zijn mond. Auto’s toeterden, weken uit, trams rinkelden, maar al wat glom in Tjaad McBuffels ogen waren die lampen, die lichtjes. Daar was het, Het Plein. Het geroezemoes van het uitgaanspubliek zwol aan, tot hij zich begaf in de nauwe straten onder het neonlicht. Een schokgolf ging door de stad. Men werd gespannen, niet wetend waarom. Uitsmijters voelden hun darmen samenknijpen. De wind draaide. Katten kregen diarree, honden braakten. Niet wetend waarom nam alles in tempo en volume toe: meer bier, sneller drinken, meer peuken, harder naaien op de wasbak – de stad loeide, kreunde, gierde.

Toen zag men hem. Tjaad. Hij lachte zijn gouden tand bloot, knoopte karakteristiek zijn gulp open. Mensen begonnen te klappen, te huilen, te dansen, te vechten. Een waar volksfestijn. Was het een teken van overgave? Diende men zichzelf vrijwillig op als offer aan Zijne Tjaad-heid? In een oogwenk was hij weg, verdwenen in de stegen, waar het geschreeuw al snel weerklonk. Sirenes vulden de nacht. Ramen van kroegen sneuvelden, anderen besloegen met erotisch vocht, stoeptegels vlogen. Avonturen werden meegemaakt en vergeten, herverteld, vervormd en te boek gesteld in duistere novelles. De nacht kleurde rood – glitterblauw. Wéér een nacht die men zich herinneren zou.

De zon komt op, tevreden maar vermoeid sleept Tjaad McBuffel zich uit de bruine kroeg, richting de bosjes, in de algemene richting van de heuvels in de verte. Dat is waar hij woont, daar ergens in de heuvels, niemand weet waar, maar men weet dat als de kroegen weer open gaan, hij uit de heuvels afdaalt om bier te drinken. Bloed zal vloeien, men zal zijn naam kennen.

Tjaad McBuffel.