Ik denk terug aan Sjammie. Mijn lievelingscactus, waarmee ik de oceanen bevoer op het kleine metalen schip ‘Stroef en kram, door vuur en vlam’. Deze betreffende boot had ik geleend van Steef Onderwater, een zeer toepasselijke naam voor iemand die verdronken is in zijn eigen badkuip. Ach, Sjammie… Ze had een speciale plek in mijn hart. Hoezo, zult u denken. Wel, ik vond Sjammie na een lang avontuur in de woestijn – geen romantisch avontuur, nee, meer een aaneenschakeling van nachtelijke vechtpartijen, prostituees, wilde autoachtervolgingen, kogelgeknetter en lijken-vinden-in-de-vrieskist-van-je-oma gevoed door schrikbarende hoeveelheden cocaïne en reptielenbloed. Het was de laatste dag van een maand die ik ‘god, tyfus, wat een heftige maand’ noemde toen ik uitgeput neerplofte in de woestijn van Nevada. Het zand deed een stoffige opmars in mijn ogen, neus en mond. In mijn linkerhand had ik een ongeopende envelop, bevattende vingers van verscheidene maffiabazen. In mijn rechterhand klemde het ‘Christelijk Handboek voor Mislukte Vissen”, zorgvuldig ingepakt in een plastic blisterverpakking. Niemand weet waarom ze dit boek in een blisterverpakking hebben gedaan, niemand! En niemand die het kan openen zonder schaar! Wat een marteling, maar oh zo intrigerend. Dat waren de gedachtes die door mijn sissende, pruttelende brein rondflubbelden, toen ik het boek kocht.
Afijn, ik was succesvol neergeploft en dacht te gaan sterven. Ik weet niet precies waarom ik dit dacht. Wellicht vanwege de bende hongerige woestijnleeuwen, panters, megareptielen en vlees verscheurende vogels die op me af kwamen, dorstig naar mensenbloed. Misschien kwam het omdat mijn frequent verschijnende hallucinatie van een lichtelijk demente vrouw weer eens verscheen, een dame genaamd ‘Erica met de Rosse Wangetjes’, die naar de lucht wees, me aankeek met opengesperde ogen en fluisterde ‘JIJ GAAT DOOD’.
Toen ik een poos op dit vrij taaie vooruitzicht had zitten kauwen en herkauwen, nog immer liggend op die zanderige grond, zag ik haar: Sjammie de Cactus. Och wat glinsterden haar naalden mooi!
‘Sjammie!’ riep ik uit. Mijn stem echode over de vlaktes, de woeste dieren begonnen harder te grommen en bloeddorsten.
De cactus leek zich weinig aan te trekken van mijn geschreeuw. Wel bedacht ik dat ik een ketting van scharen om mijn nek had hangen, een ketting die ik drie maanden lang genegeerd had.
‘Dus daarom vluchtte eenieder als ik naderde en werd ik ‘Sjaak de Kapper’ genoemd’, mompelde ik tegen mezelf. Ik greep een schaar en knipte het Christelijke Handboek voor Mislukte Vissen uit haar plastieken gevangenis. Zo gauw ik kon opende ik het boek en sprak de eerste regels uit:
‘et vidi et ecce ventus turbinis veniebat ab aquilone et nubes magna…’
De lucht begon spontaan te kolken, de zon werd verduisterd en hellevuur verscheen in de lucht. Ook werd plotseling een krat koud bier naast mijn hoofd neergezet door, als ik mij niet vergiste, vier Nederlandse studenten. Zij waren om willekeurige redenen op precies dezelfde plek gestrand.
‘Zijn jullie ook hallucinaties?’ vroeg ik bezorgd, want ik zag Erica met de Rosse Wangetjes in de verte nog steeds geile bekken trekken in half uitgeklede toestand. Dit deed ze altijd, de viespeuk.
Hun antwoord kwam in de vorm van gerstenat dat werd aan mijn lippen werd gezet. Ik dronk het koude spul met grote gulzigheid en hervond direct mijn jeugdige kracht. Ik stond op, schoot de vier studenten dood en rukte Sjammie met blote handen uit de aarde. Alsof dit nog niet genoeg was, stal ik de auto van de studenten en reed op mijn dooie gemakje terug naar de kust. Daar lag het kleine metalen schip op mij te wachten; in de verte bezong een muze mijn toekomstige rondzwervingen over de oceaan.
Ook de muze schoot ik dood. Ik moest even niks hebben van Homerische taferelen. Ik wilde gewoon snel naar mijn flat in Spijkenisse, waar mijn vrouw Penny, een bloedirritant kind en een lekkere, extra dikke vette McTasty op mij lagen te wachten.
Helaas werden het inderdaad verre omzwervingen. Sjammie ging jammerlijk ten onder tijdens een storm die mijn schedel met bliksem doorkliefde. Sindsdien zit ik, met gebroken hart, op een eiland met een of andere nimf en moet verdomme een vlot bouwen om hopelijk terug te drijven naar dat afvoerputje in de delta, dat wriemelende mierennest, dat verdomde land van pannenkoeken en gefermenteerde melkproducten. De goden haten me! Terecht, misschien. Ze zijn de woestijnperikelen nog niet vergeten.
Photo by Annie Spratt on Unsplash