Aan de Schijnheiligenkade lag ‘ie, in een uiterste staat van verval: Het Fokschip. Deze boot, bewoond door een man die men ‘De Kapitein’ noemde, was even berucht als beroemd. Het lag aan een terrein dat verborgen was achter rottende hekjes en metershoog onkruid, een plek van schimmige rommeligheid. Kinderen mochten niet in de buurt komen. Men fluisterde dikwijls, zittend in het plaatselijk café, dat de Kapitein kinderen ontvoerde, ze vilde en van de huid poppen maakte.

‘Dat zijn spookverhalen!’ zeiden de naïevelingen dan, die er nog niet zo lang woonden. De rasechte Havelingen, zoals het volk daar heette, nam dan bekommerd een sip van de lokaal gestookte jenever en schudde zijn hoofd.

‘Je moet niet spotten met dat soort dingen. De Kapitein hoort er wellicht van. Dan staat jouw pop, of die van je kinderen, straks op het Fokschip.’

Ja, iedereen kende de levensgrote poppen die hij op en rond zijn schip had geplaatst, in allerlei kostuums: matrozen, brandweermannen, strippers en vogelverschrikkers. Iedereen was het erover eens dat de meeste simpelweg paspoppen van kunststof waren, maar sommigen hadden een verdacht leerachtig uiterlijk…

Nee, dan de Kapitein. Niemand wist precies waar hij vandaan kwam. Op een dag was hij gearriveerd in een klein, oud bootje. Hij bood zijn diensten aan bij de autosloperij, waar hij meteen aan de slag kon. Na een tijd in een oude Cadillac te hebben geslapen had hij genoeg geld gespaard om Het Fokschip te kunnen kopen. Het was niemand anders dan Schele Kees, de beroemdste biljartkoning van de Oosthavens, van wie hij de boot kocht. Schele Kees, die toen al longkanker had en op sterven lag.

‘Zorg er goed voor’ reutelde hij, zijn linker oog gevestigd op een lamp en zijn rechter op het raam.

‘Je moet het een vrolijke plek houden, een leuke plek voor kinderen jong en oud! Houd het schoon en veilig’. Bijna had Kees dit gezegd, maar hij koos ervoor om in plaats daarvan eerst een diepe hijs van zijn zware shag te nemen. Zo gebeurde het dat zijn laatste adem een rookwolk was.

‘Uw wens is mijn bevel’ opperde de Kapitein ter plekke, triomfantelijk kijkend naar het setje sleutels in zijn handen. ‘Ik zal er goed voor zorgen.’

‘Er goed voor zorgen’ was in zijn hoofd níet het maken van een vrolijke plek voor jong en oud. Nee, voor hem was dit het creëren van een obscuur oord waar zijn perverse fantasieën de norm waren, een tempel voor de nimmer ophoudende stemmen in zijn hoofd. Met name de stem van iemand die hij ‘Erwin met de Lange Vingers’ noemde moest hier eindelijk alle ruimte krijgen die hij verdiende.

Deze Erwin had de Kapitein al lang in zijn greep. Sinds hij een kind was stond deze entiteit met regelmaat in zijn kamer en vertelde sinistere, verboden zaken. Erwin waarschuwde hem met name tegen dokters, psychologen en pillen – waarom wist de Kapitein ook niet. Misschien wilden die zijn lange vingers afhakken. In ieder geval: Erwin had zo zijn ideeën over de vreselijke dingen die de Kapitein absoluut zou moeten doen op zijn boot. Zo begon de Kapitein zijn boot te verbouwen, tijdens een proces dat hij ‘De Renovatie’ noemde.

De Renovatie… een nogal chique woord voor het veranderen van een prima woonboot in een afgetakelde, rommelige, drijvende martelkelder. Men hoorde sinds die tijd zoveel gekraak en gekrijs uit de boot komen dat men het schip het Fokschip ging noemen. De Kapitein was na korte tijd ook beroemd geworden. Wie hem zag lopen maar niet kende, zou slechts een verwarde, ongure zwerver zien: smerig haar, een grote kapiteinshoed, leren laarzen, een hemd met kanten franjes bij de boord. Om zijn pink zat een zegelring met een zwarte steen, maar niemand was dichtbij genoeg gekomen om het wapen op deze steen te kunnen zien. Verder viel vooral zijn extreme smerigheid op: de stank, de vlekken, de korsten. In de lokale supermarkt viel altijd een nerveuze stilte als hij binnenkwam.

‘Geitendarm en verrotte melk’ schreeuwde hij altijd, tegen niemand in het bijzonder, waarna de manager hem snel een tas in de handen duwde – met zover mogelijk uitgestrekte arm. In deze tas zaten steevast enkele porties orgaanvlees, pakken oude melk en de lokale krant. Meer leek de Kapitein niet nodig te hebben. Na ontvangst inspecteerde de Kapitein de inhoud grondig en velde zijn oordeel. Een vuige grijns betekende goedkeuring, een grimas van haat betekende dat er weer een kind zou verdwijnen. Na dit spannende moment waggelde de Kapitein naar de uitgang, terwijl het winkelpubliek zijn best deed om de morbide stank te negeren. Zo ging het, dag in dag uit.

Men hield graag afstand tot de Kapitein, zoals u kunt begrijpen. De afkeer werd vooral geïnspireerd door zijn baard: een warrig, vettig plakkaat vol vliegjes, dierenbloed, braaksel en harde witte korsten. Er gingen verhalen rond over mensen die zijn baard per ongeluk hadden aangeraakt: na twee dagen van helse pijn en spontane krankzinnigheid waren ze doodgevallen. Sommige mensen vreesden echter zijn walgelijke huid, bestaande uit schilfers, wijnvlekken en pus, die als een oude zak om zijn lichaam flodderde. Maar ook de ogen waren een bron van nachtmerries: melkachtig wit, op de bloedvaten na. Nee: de kapitein had noch iris, noch pupil. Zijn ogen waren enkel oogwit. Dit deed mensen beweren dat hij twee glazen ogen had, maar nog steeds kon hij scherp genoeg zien om van grote afstand zeer specifieke seksistische opmerkingen te kunnen schreeuwen. En zijn blik, die lege, levensgevaarlijke blik…

Zo was het dat niemand zich veilig voelde in die oude volksbuurt, iedereen vreesde de Kapitein. Men had gelijk: niemand wás in feite veilig. Maar helden waren er helaas ook niet, want als je hem tegenwerkte dan zou jij degene kunnen zijn die hij in een pop veranderde. Iedere nacht zou het kunnen gebeuren dat hij door het raam klom, aan je oorlel likte en je deed verdwijnen. Veel mensen verdwenen. Teveel.

Op een zonnige ochtend liep de kleine Xander voorbij het Fokschip. Zoals altijd wilde hij er met een grote boog omheen lopen, maar een geparkeerde vrachtwagen verhinderde dit. Hij moest over de straat lopen, vlak langs de schutting die het mysterieuze terrein voor het Fokschip verborgen hield. Eenmaal bij de Kapitein’s deur keek Xander opzij. De deur stond open! Voor het eerst van zijn leven kon hij het schip direct zien liggen. Een lange rij poppen stond langs het tuinpad opgesteld, ze leken hem bijna te wenken. ‘Kom hier’ leken ze te zeggen, ‘Ga op avontuur met de Kapitein! Kom binnen in het land van plezier en verrassing!’

Xander was een nieuwsgierig kereltje, bovendien was hij het moedigst van al zijn vriendjes, dus zette hij een paar grote stappen tot hij in de voortuin stond. Er gebeurde niks. Nieuwsgierig begon hij het terrein verder te verkennen. Overal stonden, zaten en lagen poppen, hun huid zó realistisch, de ogen van glas, hun permanente glimlach pijnlijk en geforceerd. Xander lachte erom. Stomme poppen.

De deur van de boot stond op een kier. Als hij binnen zou kunnen komen, dacht Xander, zou hij de held zijn van al zijn vrienden. Nu was zijn kans! Hij naderde de deur, duwde deze verder open. Hij hoorde zachte muziek uit een van de kamers komen. Jazz. Precies zoals zijn vader luisterde. Op zijn tenen naderde hij het geluid, sloop door de donkere gang. Aan het einde was een kamer, half verduisterd. Daar zat hij. In een oude oorfauteuil, snurkend, zijn hoofd zijwaarts leunend tegen de stoel. Zijn handen hielden een stripboek vast: ‘De Doldwaze Avonturen van Joost de Scheepskameraad’.

‘Wat nou’ dacht Xander, ‘als ik dat stripboek meeneem. Ik moet immers bewijs hebben!’

Hij sloop dichterbij, negeerde de walm van rottend vlees. Één vinger legde hij op het boek, trillend. Meteen sloot de ijzersterke hand van de Kapitein zich om zijn pols. Xander zag als laatste zijn grijns van bruine tanden, toen werd het zwart.

Die avond hoorde men uitzinnig gekraak, gejammer, hysterisch gelach en andere duivelse herrie uit het Fokschip komen.

‘De Kapitein heeft er weer een’ zei men in de buurt. Ze schreven de datum op, plaatsten er een kruisje achter. ‘Nummer twee van deze maand. Hij is actiever dan gewoonlijk.’ De families zonder vermissingen aten die dag slagroomtaart met kersen, zoals gebruikelijk. Neurotisch en haastig werkte men de klodderige stukken slagroom en cake naar binnen. Waarom slagroomtaart? Waarom kersen?

‘Hij wil dat we het vieren, hij wil verdomme dat we het vieren’ werd er gezegd, en hap – daar ging weer een groot stuk taart. Men at zich misselijk.

‘Als je het niet viert, komt hij daarna voor jou, of je kroost.’

‘Met gezwinde spoed.’

‘In de duisterste nacht.’

Maar de Kapitein, die had lak aan taart. Op zijn boot stond al snel een nieuwe pop, een kleine matroos met een stripboek in zijn handen.

 

 

Photo by Psk Slayer on Unsplash