De man, slechts genaamd M, voelde zich belabberd. Hij baalde van het stinkende masker op zijn muil waardoor hij nauwelijks adem kon halen, maar vooral de kater maakte zijn leven ondraaglijk. Hij wist niet eens meer wat hij gedaan had, behalve dat de vorige avond een walgelijk bacchanaal was geweest met gigantische hoeveelheden drugs, seks en rock & roll. Hij had slechts wat schimmige herinneringen van een oud herenhuis in de buurt van een park, met een overvolle kelder waarin het bier tot de enkels stond. Nu moest hij naar Duitsland, om zijn arme oude oma te bezoeken. 

‘Ach lieve oma’ kreunde hij, verblind door het licht dat door de gore ramen van Amsterdam Centraal prikte, ‘waarom doe je me dit aan? Waarom ga je niet gewoon snel dood, net zoals alle andere oude mensen? Nu moet ik naar jou toe reizen, in een of andere stampvolle martelnachtmerrie, vol Duitsers nota bene, dezelfde Duitsers die ervoor zorgden dat jij je afbrokkelende tanden stuk moest kauwen op tulpenbollen en stukken dierenstront!’

M wist niet zeker of hij dit echt mompelde of dat hij het droomde. Hij voelde ritselende vingers langs zijn zakken en keek slaapdronken om zich heen. Net toen de glimmende wit-rode trein het station binnenreed besefte hij dat hij was omsingeld door stinkend stationsschorem, met bloeddoorlopen ogen en gekleed in ongewassen, versleten kleding van de vlooienmarkt – en Schnitzel! Zijn portemonnee was weg. Eerlijk gezegd maakte het hem weinig uit, hij had altijd een strak opgerold pakketje biljetten tussen zijn bilspleet voor dit soort momenten. In Duitsland accepteerden ze toch geen bankpassen. Zo redeneerde hij, terwijl hij met bonkend hoofd zijn plaatsje opzocht in het glanzende, hypermoderne vehikel.

Zijn plaats, naast het raam, was godzijdank niet door een of andere idioot ingepikt. Nog beter: niemand kwam naast hem zitten. 

‘Welkom in Amsterdam dames en heren’ zei een schorre stem door de intercom. M schrok; de stem klonk net als zijn oudtante! Die was toch dood?

‘Ik bedoel ehh, we gaan zo weg, naar Deutschland! Deutschland uber alles!’

M besloot dat dit toch niet zijn oudtante was. Er klonk gestommel door de intercom, alsof degene die het bericht insprak met iemand vocht. 

‘Excuses, dames en heren, de intercom is zojuist gebruikt door een zwartrijdende zwerver. Of is het zwerveresse? Hoe heet een vrouwelijke zwerver? Een zwerfster? Dat is het vast, een zwerfster. Welkom in de ICE naar Heidenführbaumstuhlklotternachtzwiebelburgheim. Wij vertrekken om acht over acht. Let op uw bagage, want er zijn zakkenrollers actief. Niet de zwerfster, die wordt door vriendelijke agenten geëscorteerd naar de gevangenis.’ Buiten werd een vrouw weggesleept en met kleine, pittige knuppeltjes geslagen.

Het Pokkemens

M wilde liever op iedere andere plek dan deze zijn, maar het was helaas nou eenmaal zo: hij was onderweg naar een verre stad in het zuiden van dat grote, ronkende land in het oosten. De ellende startte direct zodra de deuren zich sloten. Vanuit het einde van de coupe kwam een luid ‘He-he-eg-eg-g-g-g!’ 

Het was het gelach van een studentikoos uitziende jonge vrouw met bril en ver uit elkaar staande tanden. Ze kwam samen met enkele andere vrouw-achtige verschijningen door de schuifdeur en was op zoek naar haar plaats. 

Het stemgeluid van de vrouw irriteerde M meteen mateloos; ze ratelde aan één stuk door over nietszeggende, oninteressante onderwerpen. M keek naar haar vriendinnen. Eveneens walgelijk, maar stil, allen met een week, ongezond uiterlijk.

De trein begon te rijden, de deuren waren dicht. ‘Ik kan geen kant op’ besefte M zich plotseling. Hij staarde naar de vrouw, die hij steeds meer begon te haten. Hoe durfde zo’n wanvertoning zich in een sjieke trein als deze te reizen! Wat een complete onzin kraamde ze uit! Waarom houdt ze haar bek niet eens een keer?

Het getetter maakte M steeds woedender. Hij kreeg de groepsdynamiek door: de vriendinnen deden duidelijk hun best om hun desinteresse en schaamte te verhullen. Ongemakkelijk knikten ze, gingen halfslachtig mee met haar gesprek, keken om zich heen of ze door anderen beoordeeld werden. Maar vooral dat geluid, dat geluid! M knarste met zijn tanden, stopte zijn oren dicht, bonkte zelfs zijn hoofd tegen het raam tot hij niet langer kon. 

‘Zes letters: STILTE. Dit is een STILTE-coupe, walgelijk zwijn’ riep hij. Vele ogen vestigden zich op hem; vol hoop, de vriendinnen van de schreeuwer keken bijna smekend. 

‘Dat bepaal ik zelf wel’ zei het gedrocht sarcastisch. 

M’s vinger ging langzaam omhoog richting het bordje, terwijl zijn lippen trilden van woede: ‘Ruhe bereich’.

‘Het zal wel’ antwoordde het mormel, zonder enig teken dat ze zich íets zou aantrekken van dit feit.

‘Hou nou godverdomme eens je bek, met dat domino-day gebit van je! Of moet ik dat vragen aan je vriendinnen, die zich duidelijk zitten te schamen dat ze hier, met jou, in deze trein moeten zitten?!’

Iets klikte in haar hersenen en M zag dat het niet goed was: het meisje werd een moment stil, kleurde rood en begon vervolgens hysterisch te krijsen. Ze trok haren uit het hoofd van medepassagiers, trok een baby uit de armen van een moeder en gooide het kind naar M, die het ontweek. Haar maaiende armen raakten medepassagiers, die ook begonnen te schreeuwen en vechten. Twee gespierde conducteurs spoedden zich de cabine in en sleurden haar mee, terwijl de hele cabine juichte, klapte en lachte, terwijl ze de vrouw bekogelden met rotte tomaten en keiharde aardappelen. De vriendinnen verlieten beschaamd en met natgeplaste rokken de coupé. De stilte was wedergekeerd; M sloot zijn ogen. Eindelijk even slaap.

Schwanz

Het was aan de Duitse grens dat hoofdconducteur Schwanz zijn intrede maakte. Door de luidsprekers van de trein klonk een valse trompet, de glazen deuren schoven open, een rookmachine spoot een dikke witte damp. Uit de rook kwam Hij, bewegend in slow motion: Zijne Schwanzheid. Zijn zwart glimmende pet, roze wimpers, gepoederde wangen, stoppelbaard en bierpens gaven de indruk van een sadomasochistische alcoholist die te kampen had met een verstrekkende gender-identiteitscrisis. De glimmende laarzen aan zijn voeten waren lang niet het enige leder dat hij triomfantelijk droeg. Ieders blik werd onvermijdelijk geleid richting het leren tuig rond zijn bovenlichaam waarmee zijn tepels nadrukkelijk werden weergegeven. Zijn regenboogkapsel en hand verkrampt rondom een gummiknuppel maakten zijn outfit af.

‘Die Deutsche Bahn ordnet diese Uniform an!’ schreeuwde hij, rondkijkend na zijn weergaloze introductie. Hij leek verontwaardigd. Telkens als iemand te lang naar zijn tepels keek, greep hij deze bij de keel, schreeuwde een agressief ‘Schau mich nicht an!’ en vervolgde dit met een handtastelijk ‘Ich liebe dich, mein Schatzi’.

M was niet bijster onder de indruk van Schwanz’s uiterlijk. Nee, hij had de avond van tevoren in een stampvolle kelder gestaan vol vrouwelijk schoon, schorem met dassen, halve mongolen, flierefluiters, leprozen, bilvingeraars, trans-genderqueers, dwergen, complotdenkers, Keltische kippenboeren, sodomieten, dragqueens, travestieten en kippenverkrachters. Met de helft had hij lichaamssappen uitgewisseld, met de andere helft gevochten, met allen had hij het glas geheven op de ondergang van de Westerse beschaving. Daar was tenminste iedereen het over eens. 

Schwanz liep langs alle passagiers en vroeg om hun papieren. Met een klein zweepje strafte hij degenen die op de verkeerde plek zaten. Mensen met goede papieren gaf hij een handkus. Roodharigen kneep hij in de wang en mensen zonder ticket liet hij wegsleuren door de Treinbruten – klaarblijkelijk bevond zich een kleine, maar verschrikkelijke gevangenis aan boord, die zich automatisch leegte als de trein boven een hoge brug reed. Overigens leek het alsof de trein veranderd was. Sinds de grensovergang was bij iedere stoel een trekkoord verschenen, waarvan het handvat bestond uit een stuk hertengewei. M dacht een moment na, trok eraan, wachtte. Een gong luidde en een man in Beierse klederdracht stormde de cabine binnen met een ouderwets bierglas, twee pretzels en een fles Jägermeister. 

‘Hat jemand Bier bestellt?’

M stak zijn hand op en ontving de drank en snacks gulzig. De treinrit leek opeens een stuk dragelijker. 

De Magie van Duitsland

Na een kort dutje kwam M weer bij. Hij keek uit het raam en zuchtte. 

‘Ach, Duitsland…’

Hij zag dorpjes waar de volksdansen nog op de pleinen werden gehouden, modderwegen met karren vol mest en stront, kasteelheren die op paarden langs de herberg raasden terwijl de melaatsen en horigen door de blubber kropen.

‘De tijd heeft hier stilgestaan lijkt het wel’ constateerde M. Hij had gelijk, zonder het te weten. Deze dorpjes waren eeuwig, zoals de stank die uit Roemeense grotten komt of de zucht naar mensenvlees van de Hoemboeboe stam. Conducteur Schwanz, die toevallig langs liep, riep hem toe: ‘Het feodalisme is helemaal terug van nooit weggeweest!’.

‘Hoe weet je wat ik dacht?’ vroeg M.

Schwanz tikte tegen zijn hoofd en grijnsde. 

‘Ik weet wat jij denkt. En ik weet wat jij je nu afvraagt. Ja, het klopt. Ze vreten hier inderdaad rattenvlees vermengd met duivenvlees, op kleffe broodjes met onverhoopte brie!’

Hij zette een cilinder Gnuftiges Klosterbrau weg en lachte zijn sterke Duitse tanden bloot.

“Aaahhhh”

Schwanz wees wederom uit het raam, draaide M’s hoofd met kracht om en fluisterde nattig in zijn oor: ‘Guck mal! Daar wordt een kathedraal gebouwd! Ze zijn al sinds 1120 bezig! En kijk! Daar brouwen ze bier! Is het niet magisch?’

M knikte en bedankte voor deze onmisbare informatie. Schwanz beende luidruchtig naar de volgende coupe, waar hij een passagier begon te slaan.

Gedurende de trein dieper en dieper het Heimat penetreerde werd deze steeds vreemder. De coupé was vervormd: op sommige plaatsen was deze onwaarschijnlijk breed of juist extreem hoog geworden. Een paar rijen voor hem ging het plafond stijl omhoog om ruimte te bieden aan een stapelbed met veertien verdiepingen, terwijl een paar rijen achter hem twintig stoelen naast elkaar stonden. Daarnaast was er een vreemde blonde mevrouw met een parelketting die hem telkens aan zat te staren, maar iedere keer leken haar ogen verder uit elkaar te staan, evenals haar voortanden. Haar hoofd was inmiddels zo breed geworden als een hele stoel, en ze glimlachte nog altijd.

Het Toilet

M voelde hoe het Gnuftiges Klosterbrau zijn blaas deed opzwellen en besefte dat hij zijn plaats even zou moeten verlaten om een toilet te zoeken. ‘Zit ik in de matrix?’ mompelde M. Hij liep een paar coupé’s verder; onderweg kwam hij een kapsalon, een aquarium, een circus met plek voor honderden personen en een duister labyrint tegen. Overal glom het logo van de Deutsche Bahn. Eenmaal bij de toiletten begonnen de vreemde symbolen en berichten. Met de weinige kracht die nog in zijn ledematen zat drukte hij het deurtje open en kwam in een reusachtige ruimte met marmeren zuilen, manshoge spiegels en fonteinen. Zijn maaginhoud kwam onwillekeurig omhoog; M zocht een hokje en spoot alles wat hij gegeten en gedronken had tegen de toiletmuur. Vervolgens piste en scheet hij de wc onder. 

‘Ah, verdomme, wat enorm lekker. Ik heb me sinds de Vietnam oorlog niet zo goed gevoeld!’

M was pas vijfentwintig jaar oud, maar alsnog leek het alsof het waar was. Hij waste zijn handen met paarse zeep. 

‘De trein is een leugen’ stond op de wc spiegel geschreven, met bloed. ‘Ongezellig’ mompelde M. Een groep duiven fladderde in de hoogte. Drie eenden kwaakten uit een toiletcabine.

De marmeren toiletkamer schommelde door een beweging van de trein. M zag dat als het teken om terug te keren naar zijn stoel. Hij rende terug door het labyrint, het circus, langs het aquarium en door het subtropische zwemparadijs waar eerst nog de kapper had gezeten. ‘Hoe is er plek voor al die glijbanen?’ vroeg M zich af. Hij zag de uitgangen van tientallen glijbanen die uitkwamen in een waterbak; hij kon ook in de glijbanen kijken en zag hoe lang ze waren, maar direct daarnaast zag hij gewoon de raampjes van de trein en het uitzicht van bomen en bierbrouwerijen. 

‘Dit kan helemaal niet, natuurlijk’ zei Schwanz, die opeens achter hem stond, in M’s rug prikkend met zijn erectie. ‘Dus ga nou maar snel terug naar je plek, anders zorg ik dat er een moddervet persoon naast je komt zitten die in je nek gaat hijgen.’

M was terug op zijn stoel. Af en toe kwam de trein over een hoge brug tussen de wolken; op die momenten zeiden alle passagiers in koor “Wuuuundeeeeerbaaaaar”, zongen een lokaal volkslied, en lazen dan verder in hun DB Mobil. M vond het uitzicht wel mooi, maar was onvoorbereid op de ‘Wunderbars’ – hij voelde alleen maar een nieuwe koude rilling en kotsneiging als iedereen weer begon te zingen.

‘Dwimmelsburg Hauptbahnhof’ riep de conducteur om. Had M weer geslapen? Met rode ogen, prikkend door het licht, keek hij naar Dwimmelsburg. Grijze fabrieken en saaie witte blokkendozen waar talloze depressieve arbeiders woonden, die auto’s en nutteloze machines in elkaar draaiden. Door het uitzicht moest M kakken; hij stond op en liep weer naar de WC. Alles was inmiddels weer veranderd; het zwembad was gewoon een coupe, maar nu was er een Museum van Natuurgeschiedenis verschenen, inclusief reusachtige dinosaurusskeletten. In een van de uitgestrekte gangen kwam hij een kamertje tegen waar twee inboorlingen, veilig afgesloten achter driedubbel glas, stof aan het weven waren. Ze werden verlicht door een paar lampen; op het glas was een klein bordje bevestigd die vermeldde: “Duitse Inboorlingen”. Ze droegen botten in hun neus en oren, hun ogen waren bloeddoorlopen en keken obsessief naar de stof die ze weefden, alsof hun leven ervan af hing. M grinnikte en liet slechts een klein straaltje kots lopen, plus een natte wind met wat consumptie, midden op de gang.

‘Ik wist niet dat Duitse Inboorlingen nog bestonden’ mompelde hij, zijn weg vervolgend.

‘Heeft Ome Tom hier iets mee te maken?’

De Oude Vriend

M verliet het museum en kwam in een normaal uitziende coupé, waarna hij in het halletje van de WC kwam. Voor de wc zat een bijna komisch zwaarlijvige heer op een klapstoeltje dat doorboog onder zijn gewicht. Zijn zwarte haar was met veel gel op zijn schedel geplakt, hij had een potloodsnorretje en zweette hevig. 

Verder was het inderdaad een heer: hij droeg een driedelig pak met een bezweet wit hemd, inclusief een zakhorloge en wandelstok met gouden knop.

M ging bijna weer over zijn nek, tot hij besefte wie het was.

“Jonas?!” zei M. De heer draaide zich met enige moeite om, tegengewerkt door al het vet dat verbogen moest worden.

“Kijk eens aan! M!”

“Tijden niet gezien, Jonas. Je ziet er, eh, gezond uit!” loog M. 

“Ja, de tijd vliegt he! Hoe gaat het? Ben je nog altijd brokkenpiloot bij Davideer-Gnoom Luchtvaartbrigade Vierde Klas?”

“Jazeker! En jij, Jonas, nog altijd groenkoper in paarsknoop?”

Jonas’ gezicht werd verwrongen van woede. 

“De klootzakken! Ze hebben me ontslagen. Ik moet tegenwoordig als Rijnvaarder met Bielsknoop behelpen als belastingfuik in Luik, met Kruik. Een schande! Mijn vrouw kan haar kinderen niet meer betalen en heeft er drie moeten laten gaan. Werken allemaal in de tin-mijnen van Dordrecht. Vreselijke plek. Ze eten daar enkel vleermuizen en soep getrokken uit schedels van minderjarigen… M? Waar ben je?”

M kende de tinmijnen maar wilde er niets van horen. Hij was gevlucht richting het toilet en liet daar, zich vasthoudend aan twee gouden handgrepen, de diarree uit zijn anus knetteren, spuiten en spetteren. Ondertussen gaf hij over in zijn handen, die hij als een kommetje had gevormd, en gooide de kots op zijn hoofd. Dit deed hij omdat hij geïnspireerd was geraakt door de vreemde Japanse televisieshow die op zijn toiletdeur geprojecteerd werd, waarin een samurai meester zichzelf bevuilde. 

Na tien minuten van pure ellende en opluchting begon M zich af te vragen of hij wel schoon genoeg was om weer op zijn stoel te mogen zitten. Hij keek in de spiegel en zag wat hij had aangericht: hij was van top tot teen bedekt onder een dikke laag stront, kots, pis, bedorven voedsel en wriemelende maden. 

‘Schwanz! Ik wil een bad en schone kleren!’ riep M in paniek. 

Schwanz kwam meteen door een deur, nam hem mee naar een douchecabine, legde een verse, warme set kleren en een luxe badhanddoek klaar. Tien minuten later kwam M als een herboren man uit de WC cabine tevoorschijn.

‘Dat is dan 248 euro en 38 cent’ zei Schwanz. M haalde het rolletje biljetten uit zijn anus.

M was terug waar hij zijn oude vriend had achtergelaten. “Jonas?” riep M. Hij wilde het dikke heertje nog wel even spreken, maar hij was spoorloos verdwenen. “Het is ook altijd hetzelfde met die groenkopers in aarsknoop…” Hij begon terug te lopen naar zijn stoel. Alwéér. Hoe vaak was hij inmiddels al door de trein gelopen? M kwam langs een gaarkeuken. ‘Wat nou weer…’ mompelde hij, kijkend naar de gigantische pan Knödelsoep die in het midden van de keuken stond. Hij meende een baby in de soep te zien drijven. Of was het een gigantische, babyvormige knödel?

“Niemand weet het” merkte de kok op. “Het lijken net baby’s. Ze worden door ooievaars gebracht en in de soep gedompeld, nog voordat we kunnen kijken of de baby echt is.”

“Slecht excuus” oordeelde M. 

Het dak klapte open en een ooievaar vloog over; een nieuw babyvormig pakketje plonsde in de soep.

Met open mond staart M naar het schouwspel.

“Mag ik een kop?”

“Bitte gerne bitte gerne.”

M at met smaak.

Vlak voor M zijn stoel had bereikt werd zijn pad geblokkeerd door een stenen muur met een stalen deur. Links ervan was een rond gat in de muur gemaakt. “Der Total-Erlebnis” stond er in gouden letters boven. 

M wist wat hij moest doen: zijn hoofd door het gat heen steken. Hij durfde echter niet. Wat zou hij zien? Zou iemand zijn hoofd afhakken met een reusachtige bijl? Of was dit weer een van Schwanz’ vieze trucjes?

Op dat moment, als geroepen, stond Schwanz achter hem.

“Gewoon doen joh. Machen Sie es einfach. Het kan geen kwaad. Jawohl.”

Twijfelend stak M zijn hoofd door het gat. Hij werd gegrepen door een misselijkmakende draaikolk. Millennia leken te verstrijken, honderd levens voltooiden zich in enkele secondes. M kwam terug uit het gat en wist even niet meer waar en wie hij was, tot hij besefte dat hij terug was in het hier en het nu.

“Woooow.”

“Wunderschön, oder?”

“Mag ik nu naar mijn plaats terug?”

Het eindstation

M kwam bij zijn plek terug, toen de eindbestemming eindelijk werd omgeroepen: “Nächster Bahnhof: Heidenführbaumstuhlklotternachtzwiebelburgheim Hauptbahnhof”

“Dat is snel” mompelde M. Zijn kater was grotendeels weg; zijn geld bijna op, zijn geduld getest, zijn ballenzak gekieteld. 

Het station waar hij uitstapte leek nog het meest op een nucleair rampgebied gecombineerd met een Duitse ghetto. Zelfs de graffiti was mislukt. M keek treurig om zich heen. Hij kreeg een ontzettend sterke aandrang om zijn handen te wassen. ‘Waar kan een degelijke man tegenwoordig nog terecht om zijn handen te wassen?’ zei hij tegen een duif, die dom voor zich uit keek. Een oud vrouwtje met snor en doorlopende wenkbrauw wees naar een vies, beklad gebouwtje. ‘Moet ik in dat kot mijn dierbare handen wassen?’ mompelde M beledigd. Voorzichtig betrad hij de deur, die hij opende met zijn elleboog. Binnen werd hij verblind door fel, wit licht uit goedkope TL buizen – het licht dat hij herinnerde van de allergoedkoopste ALDI die hij ooit bezocht had. Hij zag godzijdank een spiegel en een wasbak, maar hij kreeg meteen spijt toen hij in de spiegel keek. Het was een lachspiegel, en door het ongure licht leek hij op een doorgespoten crackjunk met een misvormd gezicht. 

‘Oh heilige Salzabar, hebt toch genade met mijn ziel’ riep hij, en zijn stem echode nog veertien seconden na. Hij probeerde de zeep: deze leek in zijn huid te bijten als een sterk bijtend zuur. Snel waste hij het af met bruin schuimend water uit de kraan. M’s enige vorm van troost was de automaat met Pocket Pussy’s, reuzencondooms, anale glibbertrillers en eikelvibrators die naast de spiegel hing. 

Hij kocht een buskaartje uit een mistroostige, in elkaar geramde machine en wachtte onder een tochtig, met algen begroeid plastic afdakje op de bus. Na drie kwartier kwam het rammelende busje aan; de enige medepassagier was een man met één tand en met gele, priemende ogen zonder oogleden, die hem non-stop aanstaarde. 

De buschauffeur hoestte voortdurend en mompelde onverstaanbaar de haltenamen waar ze zouden stoppen. 

“Stopp mal” zei M luid, toen hij de halte bij het huis van zijn oma zag, herkenbaar aan het huis met de tuin waarin tuinkabouters stonden in de vorm van een groepsverkrachting. De bus kwam met piepende banden tot stilstand, hij stommelde naar buiten en ervaarde… stilte. Niets hoorde hij, behalve één vogel, ergens in de verte.  De stilte maakte hem angstig, maar hij moest en zou zijn oma bezoeken. Godzijdank begonnen twee asielzoekers met bladblazers de grond zonder bladeren te blazen.

M liep een paar honderd meter door de straat. ‘Godsamme, ze lijken allemaal op elkaar’ mompelde hij bozig. Het was waar: ieder huis was voorzien van stucwerk dat ooit wit moest zijn geweest, maar inmiddels afbladderde en was bedekt met gore zwart-groene strepen van roet, algen en vuil. Toen zag hij het: het Huis van Oma. Dit was het enige huis dat een herkenbare afwijking had: het was voorzien van een roze neon uithangbord van een prostituee die haar naakte benen scheidde en schaamteloos haar opengesperde vagina liet zien. M’s ogen begonnen te twinkelen toen hij terugdacht aan alle jeugdherinneringen onder dat neon bord: zijn eerste sigaret, zijn eerste spuit heroïne, zijn ontmaagding door Ome Peter en het mislukte triangelconcert.  Waarom leek het huis zo verlaten? Met trillende wijsvinger belde hij aan bij het donkere huis. Niemand deed open. De overbuurman, die halfnaakt in zijn tuin stond, keek hem aan, lachte, stak een sigaret op en schold hem uit. Daarna gooide hij een steen naar M’s hoofd en vertelde dat zijn grootmoeder al lang dood was. Het huis zou de volgende dag worden afgebroken.

“Maar mijn erfenis dan?” sputterde M.

De buurman ging nog harder lachen en gooide nog een steen naar M’s hoofd. De kater kwam terug. 

‘Er is geen erfenis. Ze heeft al haar geld gegeven aan een malafide vereniging die geld doorsluist naar de Keniaanse Kwaadaardige Leprozenbond. Ze zei nog specifiek: ‘en zorg dat die mislukkeling van een kleinzoon geen rooie cent krijgt!’’ 

Hij spuugde nu zijn pruimtabak op de grond, liet zijn broek zakken en ging verder met het mishandelen van zijn zelf gegroeide pompoenen.

M wist niet wat hij moest doen. Naar de duistere bossen, om daar in een foetushouding te gaan liggen en dood te gaan? Of toch inbreken in oma’s huis en zien wat er nog te stelen viel? Hij deed geen van beide: hij liep terug naar het station, tot zijn schoenen versleten waren. Aldaar betrad hij een café tegenover het lelijkste betonnen viaduct van het dorp.

En daar, in dat café, waar hij aan de bar zat met de lokale idioten en alcoholici, kwam M tot het inzicht dat zijn leven zou veranderen. 

“Wat een prachtige plek” zei hij. “Ik ga hier wonen!”