Hoog, machtig, bekroond met de Heilige Rots: zo was de Berg van Bamilon, zichtbaar vanuit alle uithoeken van het land. Haar vruchtbare groene hellingen werden bevolkt door gestoorde schaapherders en geitenherders, die vochten om het sappigste gras. In de bossen liepen wilde, mythologische dieren en eenogige monsters. Rond de stenige top, waar de ijzig koude misten hingen, spookte het met geesten en afgezakte goden, die meestal dronken en boos waren. Reizigers werd ten zeerste afgeraden de berg te beklimmen, omdat een dood op de berg zeker en pijnlijk was. Tóch deed men het, en masse, tijdens de jaarlijkse pelgrimstocht richting de Heilige Rots. Lange rijen van avonturiers en pelgrims beklommen het Eenzame Pad, trotseerden het duistere woud, doorkruisten de Vreselijke Velden, vochten met de bloeddorstige herders en ontweken giftige pijlen van het Stropersvolk, dat zich tussen de top en de groene hellingen ophield. Zij leefden in gefortificeerde dorpen op hoge rotsen, die ze hadden gedecoreerd met duizenden schedels: dat vonden ze gezellig. Men vertelde dat dit volk kannibalistisch was en hun pasgeboren kinderen aan gruwelijke beproevingen onderwierp, om te kijken of ze sterk genoeg waren om ooit een volwaardig krijger te zijn. Deze verhalen werden afgedaan als sprookjes, maar waren 100% berust op waarheid. Ja, op deze barre hoogte was schapen- en geitenvlees lang niet altijd genoeg. Af en toe moest er een pelgrim worden opgepeuzeld, na een lang, uiterst bizar en bloeddorstig ritueel. Op zulke dagen, waarop het inheemse rituele gezang door de vallei galmde, was het gebruikelijk dat de dalbewoners hun huizen vergrendelden. Men bad als volgt tot de heidense goden:

‘Spaart ons, oh heren van het licht en het duister, vrouw van de rivier, machtige van de storm, brenger van de oogst! Aanvaard ons offer van oom Gerardus, die vijftien manen geleden zich heeft gegeven aan het Stropersvolk, ons bloedoffer! Ontneem ons toch niet meer!’

Meestal gaven de heidense goden geen gehoor aan deze gebeden, want honderden mensen beklommen die berg alsnog, de stommelingen. Men wilde naar de top.Daar stond namelijk de Heilige Rots, ook wel de Rots van Bamilon genoemd.

Ja, de Heilige Rots was een bijzonder verschijnsel. Deze had een smalle, hoge opening die enigszins leek op een vulva, terwijl de rots zelf het meeste weg had van een fallus. U begrijpt wel dat de rots werd gezien als een heiligdom gewijd aan de vruchtbaarheid, zowel van de bodem als van het vrouwvolk. Betreden van de rots was echter voorbehouden aan de moedigste pelgrims, omdat de reis zo gevaarlijk was, en omdat deze rots werd bewaakt door de woedende, starnakel bezopen geesten van de berg. Ze waren met zijn vieren: Derk-Jan de Ruyter, Simmering van Roedemonde, Gijsbrecht Van Nifteveen en Anne-Marie van Doedelröde. Af en toe haakte Baron Tjeerd van Culemborg tot Claerbeek ook even aan, maar die was zo dronken dat hij niet veel meer kon inbrengen dan loos gebrabbel. Hun bescherming geschiedde door de bezoeker te testen, op gruwelijke wijze, maar gelukkig waren deze geesten dermate beschonken dat hun oordeelsvermogen te wensen overliet.

‘Doe een dansje’ zeiden ze bijvoorbeeld. ‘Harder dansen! Man, jij kan er echt niks van. Oké doe maar iets anders, amorfe, ellendige dal-debiel… Trek drie bakken leeg! Wat?! Heb je geen bier bij je? Wat moeten we met jou?! Oké, ga maar op de grond liggen, ga maar robben. Wat dat is? Pak je enkels met je handen en probeer vooruit te kruipen. Een beetje je best doen! Oké, nu met je mond in die poel blubber. Ga maar bubbels blazen. Kijk aan. Blob blob blob… Keurig. Opstaan nu! Kikkeren! Hop hop, ouwe pelgrim! Het zit nog in die taaie spieren van je, je kunt het!’

U kunt zich de irritaties van de reizigers voorstellen als zij deze gênante foltering moesten ondergaan, begeleid door het galmende gelach van de plaaggeesten. Het stond de pelgrims geen andere keus: zij moesten en zouden de Rots betreden. Want binnen die rots, achter de glorieuze opening, lag een magische poel: Het Water van Bamilon, de Spiegel van het Heelal, het Wonder. Dit water, sinds de diepste tijden geraadpleegd als orakel, reflecteerde de sterren door een schacht die liep van het water tot aan de top van de rots. Ja, vele liederen waren geschreven over deze poel, waarvan het water bijzondere eigenschappen zou bezitten. Degene die ervan dronk zou veel zoons en dochters krijgen, de zieken zouden ervan genezen, de schelen recht kijken en de doven weer horen. Het deed de manken marathons rennen en het genas alle ziektes, behalve chlamydia. Niemand wist waarom. Afijn.

Het was ridder Vuigelbrecht die een snood plan bedacht: hij wilde met een leger de berg veroveren, een kanaal graven van de poel naar de stad en zo iedereen geluk, genezing en magische krachten brengen. Dit plan was bijna geslaagd, al zou hij tot de vreselijke ontdekking zijn gekomen dat het water zijn krachten verloor buiten de rots. Tja, had hij ook niet kunnen weten. Helaas voor hem zou hij deze ontdekking ook niet doen, want zijn leger werd verslonden in het bos door een bende cyclopen. Dit leger zou hij niet eens leiden, want vlak voor de campagne verdronk hij in de slotgracht nadat hij gulzig een kleine ton wijn had opgeslobberd. Vuigelbrecht was een rasechte alcoholist, jazeker. Zijn neef, Ulbricht Nonselwaert, nam de leiding over en ging in zijn plek. Hij stierf aan de hand van de eerste cycloop die zij tegenkwamen, die ze per ongeluk uit een diepe winterslaap hadden ontwaakt. Als cyclopen ergens een hekel aan hebben, dan is het om uit een winterslaap wakker gemaakt te worden door ridders die een heiligdom willen bezoedelen. Ulbricht ontdekte eigenhandig hoe het voelt om bij de borstkas in tweeën te worden gespleten door de massieve spierkracht van die verschrikkelijke wezens. Sindsdien zou niemand meer dergelijke onzinnige plannen bedenken. ‘Bij Bamilon!’ zei men in de stad, ‘Doe niets als Vuigelbrecht en Nonselwaert, raak niet gespleten van kop tot staart’. Een rijmpje voor kinderen, die het al zwaar genoeg te verduren hadden. De meeste kinderen hadden levendige nachtmerries over letterlijk álle aspecten van die berg, van de herders tot de spoken. Met de tijd zouden de kinderen opgroeien, overmoedig worden, de berg alsnog beklimmen en grofweg een kwart zou levend terugkeren en gigantisch veel kinderen krijgen. Zo ging die cyclus door, als een eeuwige molen, zoals de Berg van Bamilon eeuwig was.

Ja; de Berg was een anker in de tijd, een rijkdom aan geiten en schapen, een fiere wolkenkliever en tehuis voor bezopen spoken. Heiliger dan heilig, tot in het einde der dagen.