Tag

verhaal

Browsing

Ringo Flingo heette het spel waar Peter Merekamp verzot op was. Je had Ringo Flingo Rood, Ringo Flingo Blauw en Ringo Flingo Groen. Peter speelde ze alle drie, beweerde grootmeester te zijn in Blauw en ongeslagen te zijn in Groen.

‘Concentreer je, Peter’ mompelde hij bij zichzelf, uitkijkend over de treurige, betonnen buitenwijk. Met veel moeite had hij zijn huurwoning bovenin de hoogste flat van Gillekeswijk bemachtigd, van chantage en omkoping tot prostitutie, moord en zelfs kannibalisme. Eindelijk was zijn droom werkelijkheid geworden en mocht hij zich bewoner noemen van Groenenborch 1, verdieping 23. 

Peter Beunsma – een elitair uitziende man van rond de vijfenzestig- nam nog een flinke hijs van zijn XL-sigaar en staarde diep nadenkend vanuit zijn luie stoel naar het schilderijtje van een kotsend veulen dat boven de open haard hing. Peter mompelde altijd hardop wanneer hij in gedachten verzonken was, tot ergernis van zijn buurvrouw die daardoor niet kon klaarkomen. Je kon de klokken erop gelijk zetten; op het moment dat zijn buurvrouw op het punt stond om klaar te komen, verzonk Peter in diepe, wazige gedachten die hem luidkeels deden mompelen.

Een rij van honderden glimmende glazen cilinders stond langs de gebogen muur van de hal. Ze waren gevuld met Het Melkproduct, de Gift van de Koe, het heilige Uiersap, de Witte Heerlijkheid. In het midden van de reusachtige zaal bungelde een vrouw aan kabels boven een reservoir. Naakt. Ook deze tank bevatte melk; in het midden gorgelde luidruchtig een schuimige draaikolk. 

‘Ja, allemaal! Je mag nu een kleurplaat inkleuren van Boeboe de Giraffe. Ben, doe je ook mee?’ Laura de kleuterjuf gaf een kleurplaat aan de vijfjarige Benoît von Birckmund die in stille overpeinzing aan zijn tafeltje zat.

‘Als de vertellingen van priester Soonchis van Saïs aan Solon inderdaad juist waren…’ mijmerde het knulletje. ‘Hoe jong is onze wereld? Het ras der Grieken, die volgens Soonchis slechts als kinderen waren, zich onbewust van de grote daden van hun verre voorouders – een ras veel machtiger, verdwenen uit alle kennis behalve die van het oude Egypte.’ Benoît keek sip door het raam, richting de deprimerende bouwblokken uit de jaren ’80.

“Cassatie! Het betreft cassatie!’ riep Neeltje Vruchtesteijn richting haar baas, een ex-monnik van precies één meter tachtig.

Meneer Berend: een directeur. Hij at roomsoezen aan het bureau dat hij ooit uit een sloot gevist had, met lades en al. Het goedkope pulverhout rotte en gistte aan alle kanten, de wormen en maden kropen triomfantelijk over het blad – leken te dansen bijna, van blijdschap en pure vreugd. Berend’s plaatste vaak zijn schoenen op die tafel, lui als het walgelijke varken was. Hierna stak hij meestal een sigaar op, soms liet hij een wind. Zijn schoenen waren fabrikaten van lederfabriek Ransch Ranzema, welbekend door de alom bekende, traumatische Lederrechtszaak. Honderden advocaten waren overleden tijdens dat notoire proces. Ook de vermeende kinderarbeid in hun fabrieken was berucht, evenals hun smakeloze reclamespotjes die racisme, antisemitisme, seksisme en algemene misantropie wonderlijk door elkaar verwoven tot een spectaculair kunstwerk. “Wij houden van nagels op krijtborden en op ijs bijten met gevoelige kies. Koop onze schoenen, mislukkeling” was hun bekendste slogan, hoogstpersoonlijk bedacht door de directeur, Ransch Ranzema.

Jan van Tierelaar, een onprettige docent. Hij liet zijn studenten altijd in keurige rijen leuzen scanderen, over de glorieuze toekomst van hun natie, over hamstergezwellen en Griekse marmelade recepten. “Kleed jezelf in Hemd-Bruin, en Jan geeft jou een pluim” zei hij dan, dronken, terugdenkend aan de oorlogsmisdaden van zijn overgrootvader. Hij liep altijd zeer opgetogen door de bruin-bakstenen gangen van het schoolgebouw op zijn glimmende laarzen, zonder op arme brugklassers te letten – die beukte hij het liefste hardhandig opzij. Zesdeklassers had hij een nog grotere hekel aan; die sloeg hij met een zweep, gemaakt van het leer en haar van scholieren.

13 maart 2030.

Het was Tofu Dag en iedereen had er zoveel zin in. Ron en Hilda keken vol verwachting door het raam van hun torenappartement.

“Er gaat niks boven Tofu Dag” zei Ron opgewonden, “we mogen eindelijk weer 100 gram tofu eten!”

Het is dag 27. Ik weet het niet. Kijkt die lamp naar mij? Ik schreeuw. Geen antwoord, behalve de kreet van een demoon, ergens in mijn linker hersenhelft.

‘Zwijg, lamp!’ roep ik, boos.

De lamp zwijgt.

‘Wat kijk je me aan?!’

Geen respons.

‘Wil je ruzie?’

Aan de Schijnheiligenkade lag ‘ie, in een uiterste staat van verval: Het Fokschip. Deze boot, bewoond door een man die men ‘De Kapitein’ noemde, was even berucht als beroemd. Het lag aan een terrein dat verborgen was achter rottende hekjes en metershoog onkruid, een plek van schimmige rommeligheid. Kinderen mochten niet in de buurt komen. Men fluisterde dikwijls, zittend in het plaatselijk café, dat de Kapitein kinderen ontvoerde, ze vilde en van de huid poppen maakte.

Hoog, machtig, bekroond met de Heilige Rots: zo was de Berg van Bamilon, zichtbaar vanuit alle uithoeken van het land. Haar vruchtbare groene hellingen werden bevolkt door gestoorde schaapherders en geitenherders, die vochten om het sappigste gras. In de bossen liepen wilde, mythologische dieren en eenogige monsters. Rond de stenige top, waar de ijzig koude misten hingen, spookte het met geesten en afgezakte goden, die meestal dronken en boos waren. Reizigers werd ten zeerste afgeraden de berg te beklimmen, omdat een dood op de berg zeker en pijnlijk was. Tóch deed men het, en masse, tijdens de jaarlijkse pelgrimstocht richting de Heilige Rots. Lange rijen van avonturiers en pelgrims beklommen het Eenzame Pad, trotseerden het duistere woud, doorkruisten de Vreselijke Velden, vochten met de bloeddorstige herders en ontweken giftige pijlen van het Stropersvolk, dat zich tussen de top en de groene hellingen ophield.