Ik denk terug aan Sjammie. Mijn lievelingscactus, waarmee ik de oceanen bevoer op het kleine metalen schip ‘Stroef en kram, door vuur en vlam’. Deze betreffende boot had ik geleend van Steef Onderwater, een zeer toepasselijke naam voor iemand die verdronken is in zijn eigen badkuip. Ach, Sjammie… Ze had een speciale plek in mijn hart. Hoezo, zult u denken. Wel, ik vond Sjammie na een lang avontuur in de woestijn – geen romantisch avontuur, nee, meer een aaneenschakeling van nachtelijke vechtpartijen, prostituees, wilde autoachtervolgingen, kogelgeknetter en lijken-vinden-in-de-vrieskist-van-je-oma gevoed door schrikbarende hoeveelheden cocaïne en reptielenbloed.
Keesje was een vrolijke krullenbol uit Erkst, een klein boerendorp. Hij had een spleetje tussen zijn tanden. Een beugel had hij nooit gekregen van zijn ouders, want dat stond gelijk aan Godslastering. Het hebben van paars gekleurd stekeltjeshaar daarentegen niet. Zijn vadsige moeder, Greta, probeerde hiermee de cellulitis op haar voorhoofd te verbloemen. Die had ze opgelopen doordat ze met haar hoofd was flauwgevallen in haar eigen vergiftigde cake. Die was bedoeld voor haar man, Keesje’s vader, die door een koe was verpletterd en daardoor compleet was verlamd.
De man liep in zijn weergaloze glitterpak door de bosjes, zijn adem reutelde, hij wilde doden, hij wilde bier.
De lichten van de stad waren voor hem als een honingzoete lokroep, ze waren een belofte van geschreeuw in steegjes en dronkemansgevechten om drie uur ‘s nachts. Ja, dat wilde hij, klamme bakstenen muren waar hij tegenaan kon leunen om te zeiken, mossige stoeptegels waar hij schedels op kon breken, clubs waar iedereen stijf stond van de drugs, shabby cafés waar hij zijn vroege ochtendbiertjes kon drinken tot de eerste vogels floten.