Tag

kort verhaal

Browsing

Peter Beunsma – een elitair uitziende man van rond de vijfenzestig- nam nog een flinke hijs van zijn XL-sigaar en staarde diep nadenkend vanuit zijn luie stoel naar het schilderijtje van een kotsend veulen dat boven de open haard hing. Peter mompelde altijd hardop wanneer hij in gedachten verzonken was, tot ergernis van zijn buurvrouw die daardoor niet kon klaarkomen. Je kon de klokken erop gelijk zetten; op het moment dat zijn buurvrouw op het punt stond om klaar te komen, verzonk Peter in diepe, wazige gedachten die hem luidkeels deden mompelen.

“We gaan het vanaf nu alleen maar over complottheorieën hebben” kondigde Bertrand aan. Het was hun eerste date, ze hadden elkaar via een dating app ontmoet. Julia wilde gelijk opstaan, maar ze zat letterlijk vastgelijmd aan haar stoel.

“Jij gaat luisteren” besloot hij vervolgens, met afkeurende blik.

Het is een warme bus, vol spetters en lawaaiige families.

Op de vraag ‘heeft de bus airconditioning?’ is het antwoord ‘oh verdomme, absoluut niet’. Nee, je lijdt enkel, door de broeierige hitte die het aangekoekte braaksel op de stoelen nog meer doet geuren.

De bomen ritselen. Apengeschreeuw. Tentakels glibberen rondom de vochtige takken. Dagjesmensen met dikke brillenglazen schuifelen over de voetpaden diep, diep beneden het bladerdak in de koelte. Ze zijn in het park dat ver in het oosten ligt van die grote, grote stad. Bovenin de bomen groeit iets, komt tot leven. Duizenden vogels, elk anders gevederd, springen onrustig van tak naar tak. Hun kleine kraaloogjes pulseren. Ze kramen steeds luidere, pijnlijker, gorgelende klanken uit. Niemand vermoedt iets, maar het is inmiddels onomkeerbaar: de vogels evolueren.

‘Ja, allemaal! Je mag nu een kleurplaat inkleuren van Boeboe de Giraffe. Ben, doe je ook mee?’ Laura de kleuterjuf gaf een kleurplaat aan de vijfjarige Benoît von Birckmund die in stille overpeinzing aan zijn tafeltje zat.

‘Als de vertellingen van priester Soonchis van Saïs aan Solon inderdaad juist waren…’ mijmerde het knulletje. ‘Hoe jong is onze wereld? Het ras der Grieken, die volgens Soonchis slechts als kinderen waren, zich onbewust van de grote daden van hun verre voorouders – een ras veel machtiger, verdwenen uit alle kennis behalve die van het oude Egypte.’ Benoît keek sip door het raam, richting de deprimerende bouwblokken uit de jaren ’80.

“Cassatie! Het betreft cassatie!’ riep Neeltje Vruchtesteijn richting haar baas, een ex-monnik van precies één meter tachtig.

Meneer Berend: een directeur. Hij at roomsoezen aan het bureau dat hij ooit uit een sloot gevist had, met lades en al. Het goedkope pulverhout rotte en gistte aan alle kanten, de wormen en maden kropen triomfantelijk over het blad – leken te dansen bijna, van blijdschap en pure vreugd. Berend’s plaatste vaak zijn schoenen op die tafel, lui als het walgelijke varken was. Hierna stak hij meestal een sigaar op, soms liet hij een wind. Zijn schoenen waren fabrikaten van lederfabriek Ransch Ranzema, welbekend door de alom bekende, traumatische Lederrechtszaak. Honderden advocaten waren overleden tijdens dat notoire proces. Ook de vermeende kinderarbeid in hun fabrieken was berucht, evenals hun smakeloze reclamespotjes die racisme, antisemitisme, seksisme en algemene misantropie wonderlijk door elkaar verwoven tot een spectaculair kunstwerk. “Wij houden van nagels op krijtborden en op ijs bijten met gevoelige kies. Koop onze schoenen, mislukkeling” was hun bekendste slogan, hoogstpersoonlijk bedacht door de directeur, Ransch Ranzema.

Jan van Tierelaar, een onprettige docent. Hij liet zijn studenten altijd in keurige rijen leuzen scanderen, over de glorieuze toekomst van hun natie, over hamstergezwellen en Griekse marmelade recepten. “Kleed jezelf in Hemd-Bruin, en Jan geeft jou een pluim” zei hij dan, dronken, terugdenkend aan de oorlogsmisdaden van zijn overgrootvader. Hij liep altijd zeer opgetogen door de bruin-bakstenen gangen van het schoolgebouw op zijn glimmende laarzen, zonder op arme brugklassers te letten – die beukte hij het liefste hardhandig opzij. Zesdeklassers had hij een nog grotere hekel aan; die sloeg hij met een zweep, gemaakt van het leer en haar van scholieren.

13 maart 2030.

Het was Tofu Dag en iedereen had er zoveel zin in. Ron en Hilda keken vol verwachting door het raam van hun torenappartement.

“Er gaat niks boven Tofu Dag” zei Ron opgewonden, “we mogen eindelijk weer 100 gram tofu eten!”

Mijn hamster is een raar apparaat. Het steigert en eet worstkoninghuizen, het is geschift als Leen van Vonkeren met de rinkelende kettingzaag. Mijn hamster leest graag boeken; speelt een potje hamstergolf in de berentuin. Mijn hamster is literair, autoritair, een inhoudsweergave van een boek zonder herfstbladeren.

Mijn hamster, is hamster. Waarom sta ik in een badkuip, tot mijn enkels gevuld met eendenbloed? De eend kijkt me aan, hij zweeft, vliegt in stilstand voor mijn gezicht en spreekt: ‘Jouw hamster is gestoord.’