Ik denk terug aan Sjammie. Mijn lievelingscactus, waarmee ik de oceanen bevoer op het kleine metalen schip ‘Stroef en kram, door vuur en vlam’. Deze betreffende boot had ik geleend van Steef Onderwater, een zeer toepasselijke naam voor iemand die verdronken is in zijn eigen badkuip. Ach, Sjammie… Ze had een speciale plek in mijn hart. Hoezo, zult u denken. Wel, ik vond Sjammie na een lang avontuur in de woestijn – geen romantisch avontuur, nee, meer een aaneenschakeling van nachtelijke vechtpartijen, prostituees, wilde autoachtervolgingen, kogelgeknetter en lijken-vinden-in-de-vrieskist-van-je-oma gevoed door schrikbarende hoeveelheden cocaïne en reptielenbloed.
Aan de Schijnheiligenkade lag ‘ie, in een uiterste staat van verval: Het Fokschip. Deze boot, bewoond door een man die men ‘De Kapitein’ noemde, was even berucht als beroemd. Het lag aan een terrein dat verborgen was achter rottende hekjes en metershoog onkruid, een plek van schimmige rommeligheid. Kinderen mochten niet in de buurt komen. Men fluisterde dikwijls, zittend in het plaatselijk café, dat de Kapitein kinderen ontvoerde, ze vilde en van de huid poppen maakte.