Author

Roman Zonderveld

Browsing

Het was een regenachtige maandagmiddag en haringkar ‘Haring van Floor’ stond op een afgelegen parkeerplaats nabij een niet noemenswaardige snelweg in de provincie. Deze parkeerplaats werd nooit druk bezocht, behalve door prostituees en hun klanten, meestal verkleed als stroper met pijl en boog. Ook werd er volgens sommigen weleens een fakkel dragende ridder op een paard gespot, maar meer dan dat was het een troosteloze parkeerplaats waar eigenlijk niemand langer dan enkele minuten wilde zijn. Toch stond de haringkar er, dag in dag uit, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. De eigenaar, Gerd, een kale dikke man met een smerig schort was er heilig van overtuigd dat deze parkeerplaats een populaire plek zou worden voor haring happende hippies.

Hij noemde zichzelf de Kindervriend, maar eigenlijk was het een vreselijke man.

‘U bent dan wel een clown, maar mijn kinderen vinden het helemaal niet leuk om naar u te kijken. Ze worden bang van u’ zei de jonge, bezorgde vader tijdens een optreden.

De Kindervriend – zijn echte naam was Björn – werd woest.

‘Ik kom je vannacht ophalen in mijn zwarte koets, ik laat je stikken in karnemelk, en al je kinderen ook!’

Hij deed een walgelijk dansje, klapte in zijn handen. De kinderen in het treurige zaaltje van multifunctioneel cultuurcentrum ‘De Onbespoten Koe’ begonnen eensgezind te huilen. Ze zouden opgroeien tot getraumatiseerde, getroebleerde maar vooral extreem disfunctionele volwassenen met een hang naar zware harddrugs, badkuipen vol ijs met naalden en een vreemde obsessie voor clowns.

Hij steekt een sigaret op, de nacht kleurt donkerrood. Een smalle, hoge steeg – zwarte stenen, hoge smalle ramen waarachter vele kamers schuilen, elk met oude gordijnen, muf tapijt en studentikoze banken, overvolle asbakken. Saldemar neemt een hijs en luistert naar muziek die uit een van deze kamers komt. Het is een stuk van Chopin. Langspeelplaat. Een oude naald, gebrekkige kabels en een haperende versterker. Hij weet precies hoe dat klinkt, zo klinkt het bij hem namelijk ook. Hij kijkt naar zijn nagels. Vuil. Hij weet niet meer hoe. Die avond zal hij in de badkuip gaan zitten, hij zal luisteren naar de zoemende lamp in de badkamer – verder zal er stilte zijn. Trouwens, niet voor lang. Hij verheugt zich nu al op het geluid van de kraan die die stilte zal doorbreken, het vredig geruis, het contrast tussen zijn koude huid en het hete water, de peuken die hij ondertussen zal roken. De avond was goed, is nog steeds goed. De stad is groot en duister, weinig lampen lijken te branden. Zo ziet Saldemar het graag.

Ja, Stefan Droust was zijn naam, student Sociale Wetenschappen van de Dinges. Hij stond bekend als een smeerpijp, en een smeerpijp was het. Een groezelig studentje in alle opzichten: zijn kamertje, zijn brilletje, zijn leven. De manier waarop hij gebruikte theezakjes nogmaals in zijn gore mokken dompelde. De manier waarop hij zijn te dunne, sprieterige snor liet staan. Goor, goor, goor.

De raad was sceptisch. De opdracht voor het ontwerp van een nieuw stadsblok in de binnenstad was na een lange strijd eindelijk gegund aan een jong architectenbureau. Twee bureau’s waren geselecteerd: de modernisten en de traditionalisten. Met al zijn krachten had de Burgemeester Cor van Rupten gevochten om het modernistische kantoor te laten winnen. Hij leek door ze geobsedeerd:

De man liep in zijn weergaloze glitterpak door de bosjes, zijn adem reutelde, hij wilde doden, hij wilde bier.

De lichten van de stad waren voor hem als een honingzoete lokroep, ze waren een belofte van geschreeuw in steegjes en dronkemansgevechten om drie uur ‘s nachts. Ja, dat wilde hij, klamme bakstenen muren waar hij tegenaan kon leunen om te zeiken, mossige stoeptegels waar hij schedels op kon breken, clubs waar iedereen stijf stond van de drugs, shabby cafés waar hij zijn vroege ochtendbiertjes kon drinken tot de eerste vogels floten.

Het Wijkje, genoemd naar een dorp precies op de Steenbokskeerkring, gevierd in het verleden, vergeten in huidige tijden door een administratieve fout. Het Wijkje, waar de mensen niet ouder worden dan 57 – zonder uitzondering, behalve meneer Coiggon. Het Wijkje, tussen vier straten, eigenlijk vijf, waar de mensen in de zomer limoenijs eten, in de winter naar de sneeuwlucht staren, in de herfst bladeren harken en in de lente gluren door het raam van de buurvrouw. Dit Wijkje, waar de klokken klokslag slaan en de peren halfbakken zijn, waar de boeken opengeslagen worden om te dienen als onderzetters, waar de zwervers samen hetzelfde liedje zijn gaan zingen – het volkslied van Het Wijkje.

‘Dit zijn je nieuwe Rioolvriendjes, Peter. Je moet voortaan met ze spelen.’

Peter, gekleed in zijn gebruikelijke bevuilde witte hemd, staarde depressief voor zich uit. Hij zette de fles wodka aan zijn lippen en dronk, het vocht droop grotendeels langs zijn ongeschoren kin.

Wrok, eeuwige, diepe wrok, is goed voor de ziel.

Het reinigt de gedachtes.  Is het immers niet zo, dat des de dieper de haat, des te geconcentreerder de gedachtes zijn?

Zolang u zich perfect en extreem concentreert op het willen verminken van uw gehate vijand, zijn andere gedachtes overbodig en is uw geest 99% puur. U wordt gelukkig, U baadt in genot. In wrok.

Het grote Hamsterwiel rijdt door de supermarkt en verplettert alles en iedereen. Men schreeuwt, men huilt. De schappen zijn leeg, maar men graait er alsnog in. Met bizarre, ter plekke gevonden wapens vecht men om de laatste, muffe pizza die in een hoekje van een vriesvak lag.

‘Ik wil hem, mijn veertien kinderen smachten naar gesmolten kaas!’ De hamsters verminken elkaar binnen, maar buiten is het erger.

De stad staat in brand. Duizenden mensen rennen in paniek over straat, hun ogen wijd opengesperd, kinderen worden op de stoeptegels vermorzeld. Het Recht van de Sterkste is nu de enige wet. Men ziet wat men nog nooit eerder zag: een reusachtige cycloop van twee meter vijftig, 200 kilo, 100% spiermassa tilt willekeurige mensen op en splijt ze in tweeën. Hij drinkt het bloed, rukt her en der nog wat kinderhoofden af. Mensen vormen een cirkel om hem heen en beseffen dat ze met genoeg zijn. De cycloop wordt uit elkaar getrokken in de woedende menigte. Het vuur in zijn oog dooft, maar de rest van de stad brandt feller dan ooit.